Naar de bronnen

De Grande Source, een van de drie grote bronnen in Vittel, circa 1925.

Mineraalwater, levenselixer

‘Ten tijde van François I brachten de bronnen van Les Eaux-Bonnes genezing bij verwondingen. Ze werden haakbusschuttersbronnen genoemd, omdat men er de gewonden van de slag bij Pavia [1525] heen zond. Tegenwoordig genezen ze ziektes van de luchtwegen. Over honderd jaar zullen ze misschien weer iets anders genezen; iedere eeuw boekt de geneeskunde immers vooruitgang.’

Hippolyte Taine schreef zijn Voyage aux Pyrénées halverwege de negentiende eeuw, maar in dat kuuroord zoekt men nog steeds genezing voor angina en bronchitis door het opsnuiven, gorgelen en vooral het drinken van immense hoeveelheden mineraalwater, dat — hoe ‘goed’ het ook is — vanwege het zwavelgehalte ruikt naar een zeer dood ei.

Het kan zijn dat de medische wetenschap stagneert, of dat zij het stadium der volmaaktheid heeft bereikt, maar de geneeskrachtige eigenaardigheden van de Franse minerale bronnen liggen nu vast. De aanstaande curiste die uit de honderd stations thermales in de brochure van de Fédération Thermale et Climatique het voor zijn kwaal meest geschikte zoekt, wordt geholpen met een kleurcode. In de met geel gemerkte steden kan hij terecht voor urineweginfecties en nierstenen, in de rode voor hart- en vaatziekten, in de roze voor huidaandoeningen, en in de bruine voor ‘ziekten van het spijsverteringssysteem’.

in de arcade van het Grand Pavillon in Vittel, juli 1983.

Het stadje Vittel, in de Vogezen, is geel, bruin én lichtblauw, want de wateren bevorderen eveneens de genezing van botbreuken. Uit één van de drie bronnen die er geëxploiteerd worden, de niet sterk gemineraliseerde Grande Source, vult men bovendien dagelijks vier miljoen flessen die op Franse eettafels terecht komen. Kraanwater smaakt even goed en je loopt er al lang geen darminfectie meer van op. Er kan maar één verklaring zijn voor de gigantische consumptie van mineraalwater in Frankrijk: wie Vittel drinkt — of Vichy, Evian of Contrexéville — drinkt geen medicijn, maar het imago van een kuuroord. En misschien is dat wel de essentie van een levenselixer.

Glazenparade

In de steeg naast Hotel Continental begint een meisje wijnflessen stuk te slaan in een metalen vat en uit een vrachtauto gooit iemand een dik pak kranten voor de deur van het Maison de la Presse. In Bar Le Wonderful ligt de doek nog over de espressomachine als de stratenmakers hun eerste rouge komen halen.

Kromme en rechte ruggen, dikke buiken en dunne, drankneuzen, geelzuchten, kuchers en fluiters — ieder rept zich naar de bron

Vittel en het park waar het eigenlijke kuuroord zich bevindt hebben een eigen ritme, want in de kastanjelanen en onder de arcade van het grote paviljoen is de glazenparade dan al een uur bezig. Kromme ruggen, rechte ruggen, dikke buiken en dunne, hoeden, hoofddoeken, regenkapjes, trainingspakken, winterjassen, gymschoenen, slippers, laarzen, wandelstokken, krukken, rolschaatsen, fietsen, drankneuzen, geelzuchten, kuchers en fluiters — ieder rept zich naar de bron.

Sommigen dragen een klein rieten korfje aan een leren riempje. Hierin zit het persoonlijke bekerglas dat die dag nog zo’n vijftig keer gevuld en leeggedronken moet worden. Anderen hebben een eigen glazen pul met naamlabel aan een rek hangen.

In het paviljoen waar de Grande Source bovengronds komt, zijn zes schelpvormige bekkens in een kring gegroepeerd. In elke schelp loopt voortdurend water. Het tuitje zit achter een stalen hekje, zodat je er niet je hoofd onder kunt houden, hoewel men mogelijk ook wil voorkomen dat iemand er gratis jerrycans met Vittel vult. Een hand met een glas gaat er precies doorheen.

Plaskuur

Ik werp een koperstuk in een automaat en ontvang een plastic bekertje, dat ik in het uur daarna een paar keer vul en leegdrink. Dan heb ik genoeg voor de rest van de dag en prijs mij gelukkig dat ik niet de plaskuur volg die mij verplicht drie weken lang zes liter per dag te drinken.

Photo
‘Gorgelzaal’ in het Franse kuuroord Vichy, ansichtkaart 1906.

Zeker de helft van de drinkers maakt de indruk dat wel te moeten, al mogen zij op hun beurt weer blij zijn dat ze niet behandeld worden door de vijftiende-eeuwse arts Ugolino de Montecatini. Die raadde aan om te ‘drinken […] en daarmee doorgaan tot het water de poriën, de blaas en zelfs de anus uit loopt, en alleen even op te houden als het uitstromende water dezelfde helderheid heeft als het instromende’. Hoewel, het feit dat het Établissement het persoonlijke dag-kwantum water desgewenst ook ‘aan domicilie’ bezorgt om ‘een effectievere diurese’ mogelijk te maken, doet het ergste vermoeden.

Van de Grande Source mag ongelimiteerd veel gedronken worden. Water van de sterker gemineraliseerde bronnen Marie en Hépar krijgt men alleen op vertoon van een recept, door een verpleegster die in een soort dug-out achter een hek de glaasjes vult. Baat het niet, zes liter van het magnesiumrijke water zou in theorie wel schadelijk kunnen zijn. Ik mag proeven. Hépar smaakt vies zout, Marie gewoon zout.

Eén glazen deur verder speelt een zigeunerorkestje. Een dame breit sokken bij het poestaverdriet, twee oude mannen spelen patience. Het enthousiasme waarmee men de dag leek te beginnen is vrijwel meteen tot loomheid geworden. Beidt uw tijd, is het devies voor de badgasten. Tot het volgende glas.

Gekookte forel

Die middag eet ik in een hotel résidential, een pension. Op de tafels staan flessen Vittel en halfvolle flessen wijn. De kurk gaat er straks weer op tot het avondeten. Ook staat overal wel een potje pillen. Gesproken wordt er niet. Men lepelt aardappelsoep en schuift een stukje gekookte forel op een vork. Af en toe klinkt zacht geslurp. Als de serveerster geluidloos de stolp van de kaas licht, wordt er even naar haar geknikt. Dan doet iedereen het servet in het daarvoor bestemde etui en gaat rusten op zijn kamer. Tot het volgende glas.

Om drie uur komt iedereen weer te voorschijn, maar ook nu in een tempo dat een zwakke afschaduwing is van dat van de ochtend. Een dametje voert duiven. Zij zit op een uitvoering van de lokale harmonie te wachten, maar dadelijk zal ze merken dat die is afgelast. Iemand koopt een krant van gisteren. Een dikke heer tekent met zijn stok kringen in het grind. Tot het volgende glas.

Om vijf uur, vlak voor sluitingstijd, lijkt er een opleving te komen in de loomheid van de middag. Jeugdige kuurders nemen bezit van het park. Met crossfietsen en skateboards vullen zij de ruimte achter de witte zuilen, tot de groepsleider hen komt berispen om hun uitbundigheid. Het winkeltje met niet meer zo heel nieuwe haute couture is dan al dicht en in de theesalon staan de stoelen op de tafels. Op een muurtje in het park heeft iemand zijn rieten korfje laten staan.

In het stadje is het druk. Het terras van Grill Le Retro wordt bevolkt door lawaaierige bedrijfsleiders, die in Vittel een congres bijwonen. Twee Duitse punkers volgen een bierkuur.

Waterkoorts

Het kuurwezen dankt zijn populariteit aan de Romeinen, die tijdens hun kolonisatie van Europa Frankrijk overdekt hebben met badinrichtingen. Negen van de tien steden met -les Bains, -les Eaux, of -les Thermes achter hun naam hebben die oorsprong. Maar pas de Renaissance brengt een hernieuwde belangstelling, die in de tweede helft van de negentiende eeuw zelfs een ‘waterkoorts’ wordt.

Photo
Reclame voor Vittel-tafelwater, circa 1980.

Was het kuren tot die tijd voorbehouden aan de Europese adel, die zich een lange reis per koets en een duur verblijf kon permitteren, met het massaal worden van het toerisme komt het kuuroord via de spoorweg en later de automobiel ook binnen bereik te liggen van de gegoede burger. De kuuroorden zelf groeien dan uit tot watersteden. Waar is de tijd dat het kostbare en geneeskrachtige bronwater nog niet in polyester magnums op de schappen stond bij de Spar?

Een paar jaar geleden maakte Vittel reclame voor zijn tafelwater met twee mannetjes. Het ene keek boos, vanwege de dikke zwarte pijl die in zijn lijf rondspiraalde. Het andere keek blij, want bij hem verliet een pijl het lichaam langs natuurlijke weg. ‘Vittel dringt diep in de cellen door en voert de ongerechtigheden af,’ stond erbij.

Geen brugklasser gelooft natuurlijk in die twee mannetjes, maar het geeft wel iets aan van de medische voorstelling van het thermalisme, zoals het kuurwezen in Frankrijk heet. In die voorstelling is het lichaam een zak vol cellen. Een ziekte bestaat uit een wanverhouding in de concentraties van mineralen in het lichaam, die door drinken hersteld kan worden. Ook de volgende redenering is en vogue: de orthodoxe geneeskunde richt zich op één ziek orgaan, en deelt vervolgens een chemische vuistslag uit, terwijl het thermalisme het hele lichaam betrekt bij de klacht; de patiënt heeft geen ziekte, maar is die ziekte.

Elektrische lading

In warm water zitten was altijd al prettig, veel water drinken gezond. Dat simpele gegeven heeft eeuwen het succes van het kuren bepaald en iedere medische rationalisatie moest daar noodgedwongen achteraan hollen. Er is een tijd geweest dat men een verklaring zocht juist in die temperatuur van het water, in de aanwezigheid van een niet nader gespecificeerde ‘geest’, in een elektrische lading, of in radioactieve deeltjes. En hoewel al die theorieën successievelijk zijn verlaten, zijn de behandelingen die daaruit voortkwamen ongewijzigd gebleven. De wetenschap moest verder, reden om de praktijk te veranderen was er blijkbaar niet.

Mineraalwater heeft een therapeutisch effect op de grootte van nierstenen (bij de rat).

‘Het thermalisme valt ten prooi aan de onmogelijkheid om de omstandigheden van een kuur te rationaliseren en te kwantificeren,’ schrijft Michel Craplet in Villes d’Eaux en France, een uitgave van het Institut Francais d’Architecture. Aan de ene kant biedt het weinig rationele karakter een dankbaar aangrijpingspunt voor orthodox-medische kriiek, aan de andere kant wijst een aantal serieuze onderzoeken naar het effect van mineraalwater op de grootte van nierstenen (bij de rat) onmiskenbaar op een therapeutisch effect.

Ziekenfonds

Wie drie weken een dieet volgt en in het bos wandelt, voelt zich allicht beter, is de teneur van veel kritiek. Wie de raad van de arts opvolgt en zich het hele jaar zo gezond mogelijk gedraagt, is ook beter, luidt de verdediging. De Franse ziekenfondsen zien in ieder geval aanleiding genoeg om het kuurwezen integraal op te nemen in hun verzekeringspakket.

‘We beloven niemand dat hij hier genezen kan vertrekken, maar in de meeste gevallen is het volgen van een kuur zonder meer een weldaad,’ zegt Jeanne Melcion, directeur van het Établissement Thermal, die mij in haar kantoortje ontvangt. Bij de balie wachten rijen zieken op hun intake-gesprek. ‘Nier- en galsteenpatiënten hoeven na een kuur heel vaak niet meer geopereerd te worden. Reumapatiënten komen hier soms al vijftig jaar lang, omdat dat hen de winter door helpt.’

Photo
Illustratie uit Asterix en het IJzeren Schild [1968].

Naast die hoofdzakelijk bejaarde leeftijdsgroep probeert Vittel — deels uit financiële motieven — een jongere doelgroep aan te boren. Sinds een paar jaar verkoopt Vittel in samenwerking met de Club Méditerranée een verblijf van acht dagen aan onder de naam Vittel Tonic/Passeport pour la forme. Dat houdt geen drinkkuur in, al mag er natuurlijk best veel gedronken worden, en ook niet de ‘douche intestinale’, maar wel: joggen, zwemmen, turnen, bodybuilden, de sauna en het bubbelbad. Kuren is er vooral spelen met water geworden. Men eet braaf vetarm en vitamine- en vezelrijk, al komt dat dieet nog niet in de buurt van de halve rozijn die Abraracourcix in Asterix en het IJzeren Schild te eten krijgt.

Stress en gejakker

De kuuroorden met hun bejaarde image ondergaan zelf een verjongingskuur; kuren wordt fitness. ‘Naast de klassieke behandelingen leveren wij een product waar in deze dolle wereld van stress en gejakker enorme behoefte aan is,’ zegt Jeanne Melcion. Al voegt ze eraan toe dat een dergelijk programma met name aansluit bij een zekere style de vie, waarin Vittel van oudsher een traditie heeft: golf, tennis en de renbaan.

Photo
Reclame voor Vittel Tonic/Passeport pour la forme, 1983.

Voor een bedrag van rond de duizend gulden, tout compris, brengen ‘allerlei soorten mensen’ — onder wie veel glas-in-lood-broeken en lamswollen deux-pièces uit het zestiende arrondissement van Parijs — een geheel verzorgde week in Vittel door. ‘Het joggen begint de laatste tijd plaats te maken voor stretching en aerobic,’ zegt Patrick Barbet, de dag en nacht in trainingspak gestoken akela van de Club Med. ‘Misschien leggen we volgend jaar meer de nadruk op yoga.’

In het voormalige Hôtel des Colonies woont het personeel van die hotels. Stelen resulteert in ontslag op staande voet, zegt het prikbord. De lift is stuk. Tussen pokdalige spiegels staan twee Algerijnen te tafeltennissen.

Vittel — de luxe is er letterlijk decor, een dunne pleisterlaag langs de hoofdstraat. Voor de beau-monde van vandaag kan er ondanks de krampachtige ontkenning niet meer zijn dan een vage herinnering, een schim van de tijd waarin water en geld nog even uitbundig konden stromen. Vittel had nog een saison, de krant vermeldde de aankomst van buitenlandse hele en halve royalty en een verdreven keurvorst kon het zich nog permitteren om voor een jaar een hele verdieping van Hôtel l’Angleterre af te huren. Vandaag de dag lopen er te veel fondspatiënten in de weg.

Kastijding

Photo
Douche plus massage in Vichy, 1913. [Foto Celestins/Vichy].

In Kurgast van 1923 vroeg Hermann Hesse zich af waarom in de kuuroorden van het fin de siècle ascese van decadentie vergezeld ging. Immers, ‘elke ondubbelzinnige, rechtlijnige, elke vitaal-puriteinse levenswijsheid nu zou, in overeenstemming met duidelijke en simpele leerstellingen van chemie en fysiologie, deze zieken, afgezien van de hete baden, allereerst een dieet aanraden van Spartaanse eenvoud, vleesloos, alcoholvrij en onaantrekkelijk — zo mogelijk zelfs een vastenkuur.’

Hesse, die zelfs jaarlijks een kuur volgde tegen zijn jicht, geeft een psychologische verklaring. ‘Wie van ons kuurpatiënten zou bereid zijn naast de baden en massages, naast de zorgen en de verveling, ook nog eens vasten en kastijding te dulden? Nee, wij worden liever maar half beter door het iets aangenamer te hebben. […] Nee, wij willen met plezier sterven: later. Maar wat de dag van vandaag betreft geven wij er de voorkeur aan na de vermoeiende baden, na de moeizaam stukgemaakte voormiddag, het er eventjes van te nemen, een kippenvleugel schoon te knagen, een goede vis te ontvellen of een glas rode wijn te slurpen.’

Photo
Hogedrukdouche in Vichy, 1913. [Foto Celestins/Vichy].

Soms denk ik dat het nog erger was. Men ging naar Aix-les-Bains, naar Baden-Baden en Bath, juist om alle leuks en lekkers. Daarna deed men boete voor die zonde door een lavement te nemen en door zich te laten besproeien met ijskoud water. De ischias of de migraine was maar een alibi.

Een kuuroord is, in ieder geval in de negentiende-eeuwse voorstelling die ik ervan heb, een wereld van lichamelijke uitersten. In de hotels, restaurants en het casino zijn kosten noch moeite gespaard. De Veuve Clicquot die minnaar en maîtresse delen, komt in een bedauwde wijnkoeler tussen gesteven manchetten aanzweven, terwijl de glazen schitteren in het licht van de kristallen luchters. Een gevoelig verlies aan de roulettetafel wordt gestelpt in de uiterste wellevendheid van de croupiers.

Daar staat dan tegenover dat een oprecht badgast de dag moest doorbrengen in vernedering, zich kleumend vastgrijpend aan verweerde handvatten, terwijl een masseur het vet van zijn lever sloeg, of tot aan de nek in kokende modder gedompeld. Ingesloten tussen twintig douchekoppen, met een pijnlijke elleboog in een stoomoventje, of tussen twee schaamschotten met een malle gieter.

Folteringen

Dit ongetwijfeld imaginaire kuuroord houdt voor mij het midden tussen een martelkamer en een bordeel. De erotiek is in Vittel niet direct zichtbaar, de folteringen des te beter. ‘Entéroclyse: 39,60 francs,’ ‘Irrigation vaginale simple: 23,95 francs,’ zegt het prospectus van 1987.

In de betegelde gangen stinkt het nog steeds naar oud zweet en fosfor. Achter ijzeren deuren wordt niet langer gekreund en gehoest, maar klinkt aerobicmuziek. En toch heb ik het gevoel dat er ieder moment twee broeders kunnen opduiken die mij een zeildoeken jak met veters aangorden.

Veel kuuroorden zijn inmiddels ter ziele. Gesneuveld in de concurrentiestrijd of gewoon buiten het circuit geraakt. Kwijnende kuuroordjes zijn er nog volop. Soms, ergens langs een provinciale weg in een weinig toeristisch stuk Frankrijk, sta je opeens tegenover een veel te groot hotel dat Les Thermes, of l’Europe of Le Splendide heet, en waar in de kelder lege bassins en half gesloopte douchecabines zijn. Ooit was dit een oase.

Amfoor of vis

Photo
Affiche voor het Franse kuuroord in La Bourboule door Michel Simonidy, begin 20ste eeuw.

Locus Amoenus, de ‘liefelijke plek’ met zijn koele wind, bloemengeur, vogelgetjilp en stromend water is in klassieke poëzie een verplicht decorstuk. Vanaf de Renaissance behoorde de aanwezigheid van precies die elementen tot de wervingskracht van ieder kuuroord. Op alle affiches uit de Belle Époque van het kuren kom je ze tegen: het schaduwrijke lover dat de huid blank hield, een vergezicht met cipressen, een vogel of een fluitspeler en natuurlijk: water.

Het merkwaardige is dat dat water altijd uit een amfoor, of een vis stroomt. De bittere werkelijkheid van de badmachinerie werd verdonkeremaand. Net als de bijtende lucht die van de locus amoenus een typische locus sanus, een oord van gezondheid maakt.

Ook de architectuur van de watersteden loopt over van die motieven. Ontelbaar zijn de nimfen en satyrs, de gargouilles en vazen. De architecten en beeldhouwers werden niet gehinderd door purisme: ook symboliek van de zee kon ermee door. Venus staat er in duizend varianten, net als schelp en dolfijn. Als het maar rook naar water mocht het gebruikt worden.

Het is dat eclecticisme — het naar believen ontlenen van stijlelementen — dat kenmerkend is voor de kuuroorden. Elk thermaalpaleis, elke villa, casino en hotel is van onder tot boven neo. Neo-Romeins, -Byzantijns, -Romaans, -classicistisch, -oosters, en later zelfs neo-Jugendstil en neo-Art-déco. En toch heeft die bouwkunst eenheid: het is een stijl die je ogenblikkelijk herkent en die je alleen maar tegenkomt in combinatie van zuilen, mozaïeken, koepels en luifels van die lelijk-mooie, somber-vrolijke kuuroorden.

Animations

Het gras van de renbaan is al getrimd. Binnen de ring trekken wat golfers hun karretje naar een verre vlag. De opening van het hippische seizoen is pas over een maand, maar het lijkt onwaarschijnlijk dat de tribune daarvóór nog een opknapbeurt zal krijgen.

Activiteiten als de paardenrennen heten animations, en dat is precies wat ze zijn: opluistering van een normaal gesproken leeg decor. De paarden horen niet echt bij dit land, zoals in Normandië, maar voor de gelegenheid komen ze even over. En de badgasten doen dan maar wat ze altijd al deden: langs de witte hekken staan, uit verveling wat gokken en lonken naar elkaar van onder een strohoedje. Misschien zelfs met champagne, want op zondag is de badinrichting gesloten.

In de hoofdstraat van Vittel is een publieke watertap. ‘In het belang van het algemeen is het niet toegestaan meer dan twee flessen te vullen,’ meldt een bordje naast het continu stromende water. ’s Avonds laat stopt er een bestelautootje. Twee meisjes, van wie ik er één herken als de serveerster van die middag, openen de laadruimte. Er staan honderden lege Vittel-flessen in.

Dit is een licht aangepaste versie van de reportage ‘Vittel, de waterstad in het ziekenfonds’ [de Volkskrant, 17 juli 1987], ook verschenen als hoofdstuk in Landschap achter het oog, Europese reisverhalen [1988].

Tags: bronwater, Kuuroord, mineraalwater, Vichy, Vittel

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *