U bevindt zich hier

Simon Garfield over cartografie in het internettijdperk
Op elk moment van de dag kunnen ze je in Londen van de sokken rijden: mannen en vrouwen in een fluorescerend hesje op een scooter, verdiept in een stadsplattegrond. Het zijn aankomende taxichauffeurs, die oefenen voor het moordende examen dat bekend staat als The Knowledge. Daarvoor moeten ze ruim driehonderd routes, 25.000 straten en 20.000 points of interest in hun hoofd stampen.
Uit onderzoek is gebleken dat hun hersenen daardoor veranderen. Cabbies hebben een grotere hippocampus, waar het vermogen tot oriënteren en navigeren zetelt.
Zo bezien is de Londense taxichauffeur de kroon op de schepping. Evolutionair bioloog Richard Dawkins heeft gespeculeerd dat australopithecus al vóór er taal bestond kaarten in het stof tekende om te kunnen jagen. En in 2009 vonden Spaanse archeologen in een grot een symbolische afbeelding van de directe omgeving van 14.000 jaar oud.
Kaarten maken en begrijpen zou wel eens het begin kunnen zijn geweest van de ontwikkeling van het menselijke brein, zegt Dawkins. Heeft het wellicht onze voorouders ‘geholpen voorbij de kritische drempel te komen die andere apen niet konden passeren’?
Geografisch bewustzijn
Maar volgens de Britse schrijver Simon Garfield is die uniek menselijke eigenschap aan het atrofiëren, nu we ons geografisch bewustzijn ‘uitbesteden’ aan TomTom en Google Maps. ‘Je kunt tegenwoordig vele honderden kilometers afleggen zonder enig idee hoe je daar bent gekomen,’ schrijft hij in On the Map; Why the World Looks the Way it Does, dat in vertaling verschijnt als Op de kaart. ‘Deze overwinning voor de satellietnavigatie gaat ten koste van het gevoel voor geografie, geschiedenis, […] menselijke communicatie en het gevoel verbonden te zijn met de wereld om ons heen.’
Bij vakantie hoorde altijd een stapeltje Michelin-kaarten, die je makkelijker kon uit- dan invouwen. En vaste uitdrukkingen als ‘Laten we maar gele wegen rijden,’ wat betekende dat je de rood ingetekende, doorgaande routes meed, ook al omdat ze meestal niet sneller waren. De kaart hielp je van A naar B, maar het was misschien wel in de eerste plaats een mental map, een kaart tussen de oren.
Uit het geruststellende kaartbeeld van Michelin, met het typische kleurenpalet van lichte en donkere stukken groen leerde je je een voorstelling maken van het landschap, die meestal wel klopte. Dáár, in de bocht van dat ‘witte weggetje’, met die blauwe concentrische uitroeptekentjes (uitzicht!), niet te dicht bij dat dorp – dát ziet eruit als een plek om de tent een nacht neer te zetten.

Simon Garfield: On the Map. Why the World Looks the Way it Does. Profile Books, 464 blz. € 19,95.
Op de kaart. Hoe de wereld in kaart werd gebracht. Vert. Tracey Drost-Plegt en Bert Meelker. Podium/Luster, 496 blz, € 27,50.
Ook op zee was de enige methode om te bepalen waar je bent, en waar je wilt komen, eeuwenlang een mental map: de optelsom van wind, stroom, koers, snelheid door het water en de tijd – twee delen wiskunde op één deel intuïtie.
Maar gps, het alomtegenwoordige global positioning system dat je op een paar meter nauwkeurig vertelt waar je bent, maakt zulke oude vaardigheden ter land en ter zee nu roestig. Gps maakt gemakzuchtig, ‘want het werkt gewoon,’ erkent Harold Goddijn in On the Map.
“Ik denk niet dat het realistisch is ervan uit te gaan dat mensen over tien, twintig jaar nog papieren kaarten gebruiken.
Goddijn was een van degenen die in 1991 TomTom oprichtten, dat een wereldspeler werd op het gebied van navigatiekastjes voor in de auto. TomTom staat volgens Garfield in een lange Nederlandse traditie van kaarten maken, die teruggaat tot de atlassen van Blaeu in de zeventiende eeuw.
‘Het is allemaal erg romantisch om een kaart te gebruiken,’ vertelt Goddijn tegen hem, ‘maar ik denk niet dat het realistisch is ervan uit te gaan dat mensen over tien of twintig jaar nog steeds papieren kaarten gebruiken. Is dat een slechte zaak? Geen idee. Het is een ontwikkeling.’
Garfield, een omnivoor die onder meer boeken schreef over het ontstaan van de kleur mauve (Mauve) en over drukletters (Just My Type), brengt die ontwikkeling bekwaam op hoofdlijnen in kaart. Van de vroegste kaarten, via de grote humanistische cartografen als Mercator en Blaeu, de driehoeksmeters uit de achttiende eeuw en de luchtcartografie naar gps en internet. Met heerlijke uitstapjes naar vervalste middeleeuwse kaarten, schatgraverskaarten, fantasiekaarten en de Baedecker-reisgids.
En natuurlijk de vraag of vrouwen nu wel of geen kaart kunnen lezen (het korte antwoord: ze kunnen het wel, maar het is de verkeerde vraag).
Afstompen
Dat gps en internet onze geografische instincten zouden afstompen, is overigens geen erg originele gedachte. De Britse avonturier Tristan Gooley roept het al jaren. Hij beschreef in zijn wereldwijd vertaalde The Natural Navigator wat je ertegen kunt doen (vaker de natuur in en beter opletten). The Lost Art of Finding Our Way van de Amerikaanse hoogleraar John Huth behandelt op meer wetenschappelijke grondslag dezelfde materie, tot op het niveau van de hersencellen van die Londense taxichaufeurs, en van ratten in een labyrint.
In het internettijdperk verschijnen hoe dan ook opvallend veel cartografieboeken. Die trend begon vermoedelijk in 1995 met de bestseller Longitude van Dava Sobel, over het zogeheten ‘plaatsbepalingsprobleem op zee’, dat in de achttiende eeuw door de Britse klokkenmaker John Harrison werd opgelost.
Garfields boek verkent dus onvermijdelijk (een deel van) de bekende weg. Maar hij blinkt uit door zijn prettig lichte proza over complexe materie, waarin hij de experts te vriend houdt en de leken niet wegjaagt. Dit is popular science op zijn best. ‘U bevindt zich hier,’ is de boodschap van elke kaart. Garfield laat mooi zien hoe dat in elke tijd iets anders betekent.
In de oudheid en de middeleeuwen verbeeldden kaarten vooral een idee. Bijvoorbeeld dat Jeruzalem het centrum van de wereld is, en dat je maar beter kon wegblijven van de randen, want hic sunt dracones; hier zijn draken. Zulke symbolische kaarten verschillen niet wezenlijk van modernere kaarten die gebruikt werden voor politieke doeleinden.
Propagandakaarten
De eerste is vermoedelijk Leo Belgicus, de kaart van de Verenigde Nederlanden in de vorm van een leeuw, die vanaf 1583 in talloze varianten is hertekend. Van die kaart loopt een rechte lijn naar de negentiende-eeuwse kaart van Rusland-als-octopus, of de propagandakaarten van de nazi’s waarin het kleine Duitsland in de tang wordt genomen door de Europese grootmachten.
Toch is er geen kaart die de werkelijkheid niet vertekent, omdat het nu eenmaal onmogelijk is om de bolvorm van het aardoppervlak zonder vervormingen op het platte papier te krijgen. De Mercator-projectie maakt het hoge noorden en diepe zuiden onwaarschijnlijk groot, maar is wegens zijn praktische bruikbaarheid voor reizen over grote afstanden nog steeds de populairste.
Pogingen van de Verenigde Naties om andere projecties ingevoerd te krijgen, om Afrika en Latijns Amerika een ‘rechtvaardiger’ oppervlakte te geven dan Mercator ze toebedeelt, zijn dan ook lang op niets uitgelopen. Zo laat Garfield zien dat geen enkele kaart waardenvrij is. Het gaat er alleen om welke waarde je laat prevaleren.
Plaatsbepaling was heel lang iets relatiefs. Honderd mijl ten westen van Land’s End, twee dagreizen van Amsterdam; wat met de postkoets weer iets anders betekende dan met de trekschuit. Nu weten we op elk moment in absolute cijfers onze positie op het wereldomspannende rooster van lengte- en breedtegraden. Maar bij die kale coördinaten begint het pas, laat Garfield zien met een fraaie anekdote.
Fietsplanner-app
Als hij met een vriend wandelt in de Italiaanse Alpen, ontdekt deze dat zijn Londense fietsplanner-app op zijn telefoon nog open staat en routes heeft uitgerold tot in de Alpen. ‘Waar hij ook ging, mijn vriend was de kaart, de spil waar de hele wereld braaf omheen draaide. En de app was ongetwijfeld ook bezig hem te volgen.’
Voordat astronomen de doodstraf riskeerden als ze het tegenspraken, stond de aarde stevig in het centrum van het universum, schrijft Garfield. Maar dankzij onze gps-telefoontjes staan we daar nu opnieuw. ‘We plotten geen route van A naar B, maar van onszelf naar waar dan ook.’
Want rond onze ogenschijnlijk neutrale gps-coördinaten ontvouwen zich, afhankelijk van je voorkeuren, nu zoveel verschillende kaarten als je maar wilt. Kaarten met fietsroutes, restaurants, populaire Twitter-onderwerpen, Albert Heijn-filialen, potentiële geliefden, beschikbare taxi’s, vliegtuigen in de lucht, het weer, en wie wat nog meer kan bedenken.
Mashup
Mashup heet dit nieuwe genre kaart, dat geografie combineert met interactieve, persoonlijke gegevens die er digitaal overheen liggen.
Zo eindigt dit boek met een andere boodschap dan Garfield leek aan te kondigen. Gps en het internet leiden niet tot een verschraling van ons geografisch bewustzijn. Integendeel, als één ding duidelijk wordt, is het dat er nog nooit zoveel kaarten zijn geweest. Het zijn alleen andere kaarten, maar ja, what’s new?
En wie er geen behoefte aan heeft zette gewoon zijn telefoon uit, of vinke ‘allow current location’ niet aan. Voor hen is er voorlopig nog steeds de vertrouwde Michelin-kaart om klassiek over te ruziën (‘Naar rechts?’ ‘Ja, nu zijn we er al voorbij, rij dan ook $%@#! niet zo hard’). Of een wandelkaart van de Britse wandelkaartenmaker Ordnance Survey, die de wind zo heerlijk uit je handen probeert te rukken als je hem op een heuvel in Wales hebt uitgevouwen om eens goed te bekijken waar je heen wilt.

Dit is een licht bewerkte versie van een recensie in de boekenbijlage van NRC [‘U bevindt zich hier’, 21 juni 2013]
Tags: atlassen, Blaeu, cartografie, Google Maps, gps, kaarten, kaartprojecties, landkaarten, mental map, Mercator, Navigatie, oriëntatie, tomtom, zeekaarten