Een stenen tijdperk

Over de Europese beeldtaal van het romaans
La Pierre-qui-Vire; de wankele steen die zijn naam aan de abdij heeft gegeven bevindt zich vlakbij, in de bosrand. Het stuk graniet, waarvan de overlevering wil dat het een hunebed of een druïdenaltaar is, kon sinds onheuglijke tijden met weinig kracht heen en weer worden gekanteld.
De man die hier, in een verscholen vallei van de Morvan, halverwege de vorige eeuw zijn klooster stichtte, vond het raadzaam het heidense ding te beteugelen door er cement in te storten en er een Mariabeeld op te zetten.
De monniken die hier wonen zijn benedictjnen: zij leven volgens de Regel van Benedictus, die hun niet alleen gehoorzaamheid aan de abt, matigheid in spijs en drank, kuisheid en stabilitas loci — het op een plaats blijven — voorschrijft, maar vooral ora et labora, gebed en arbeid.
Lauden
De dag van de monniken draait om het gebed, of liever: de dag en de vaste gebedsuren draaien om de monnik. Op een kaart in de abdij wordt de dag voorgesteld als een cirkel, een wiel met op de as het klooster. De uren van de dag, de segmenten van de cirkel, wentelen langs en de monnik doet op het aangewezen tijdstip wat hem te doen staat.
Bij zonsopgang bidt hij de lauden en in de loop van de dag de priemen, de tertsen, de sexten en de nonen; gebeden genoemd naar het rangnummer van de uren. Bij zonsondergang worden de vespers gezongen en voor het slapen gaan sluiten de completen de cirkel, want ‘zoals de profeet zegt, zevenmaal daags heb ik Uw lof gezongen’.
Toch voegen de monniken van Sainte-Marie de La Pierre-qui-Vire er nog een koorgebed aan toe. ’s Nachts tussen twee en drie uur, in ‘het uur van de grote stilte’, bidden zij de vigilie, het waakgebed: ‘De Kerk gaat de dag voor en doet opgaan naar de Heer de hoop van de wereld’.
Passerpunt
Iedere dag, tot aan zijn dood, is de monnik gewikkeld in de concentrische cirkels van zonnebaan, kloostermuur en zijn eigen lichaam. Op de passerpunt moet hij God zoeken. Buiten de tijd dat hij mediteert, de mis volgt, eet of slaapt, werkt hij. In het zweet zijns aanschijns verdient hij zijn dagelijks brood en dat van de immer aanwezige gasten: zwervers die voor een keer een schoon bed willen, verloofde stelletjes op retraite en andere stervelingen op zoek naar een geestelijke wasbeurt.
“De dag van de monniken draait om het gebed, of liever: de dag en de vaste gebedsuren draaien om de monnik
De rivier levert elektriciteit, de zestig hectare landbouwgrond van het klooster geven groente, en gras voor de koeien, maar volledig self-supporting zijn de honderd inwoners van de gemeenschap toch niet. De passant kan er daarom kaas en honing kopen. Maar de meeste zoden worden toch aan de dijk gezet door de bloeiende uitgeverij die de abdij herbergt: Les Éditions du Zodiaque.
Niet-lelijk
De negentiende-eeuwse gebouwen – kerk, refter, kloostergang, gastenverblijf en de ateliers – zijn hooguit niet-lelijk. Om mooi te kunnen heten zal nog veel tijd moeten verstrijken. Voor de bouwkundige periode die de uitgeverij hier in kaart brengt is dat moment nog niet eens zo heel lang geleden aangebroken: het romaans, grofweg de laatste helft van de tiende, de hele elfde en een stuk van de twaalfde eeuw.
Van de Zodiaque-uitgaven is de serie La Nuit des Temps (De nacht der tijden) de bekendste. De zeventig delen die de serie inmiddels omvat behandelen elk de romaanse kerk- en kloosterbouw in een land of landstreek. Ruim dertig zijn er gewijd aan Frankrijk — van de Anjou tot de Roussillon, van Normandië tot Corsica —, acht aan Spaanse provincies en de overige delen aan Engeland, Ierland, Portugal, Scandinavië, Italië, en ‘Het Heilige Land’.
Levenswerk
Dom Angélico Surchamp, directeur van de uitgeverij en sinds 1942 monnik in dit klooster, gaat mij met waaiende pij voor naar zijn kantoor, dat aan de voet ligt van een eindeloze rij trappen. ‘Ici on descend toujours, mais après on remontera,’ glimlacht hij.
Dom Angélico – ‘dom’ is dominus, heer, en een titel van sommige benedictijnen – gaat op een houten kruk zitten. Achter zijn rug staat band aan linnen band zijn levenswerk, dat nog lang niet voltooid is. Het deel over België is nu in productie, vertelt hij. ‘U ziet, we komen steeds dichter bij u in de buurt, ja, ja.’

De Sint-Servaas en de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Maastricht, de Pieterskerk en Nicolaïkerk in Utrecht, wat zadeldakkerkjes in Groningen en Friesland; heel veel meer zal dat toekomstige deel over Nederland niet kunnen bevatten. Wie in het romaans wil zwelgen moet echt naar het zuiden.
Heliogravure
Van het eerste deel van de serie, Bourgogne Romane, dat in 1954 verscheen, zijn vele drukken later inmiddels 131.000 exemplaren verkocht. In de kunstboekenwereld is dat een bestseller van de eerste orde, maar Dom Angélico ziet zijn boeken niet in de eerste plaats als profijtelijke handel.
‘Natuurlijk, we moeten ervan leven, maar we proberen ze zo laag mogelijk te prijzen, zodat zoveel mogelijk mensen ervan kunnen genieten.’
Wie eenmaal de moed heeft gevat een bedrag van rond de zeventig gulden per deel neer te tellen, ontdekt dat een dergelijk boek als het op een puur commerciële basis gemaakt zou zijn gerust vier keer zo duur zou zijn geweest. Een voorbeeldige typografie. foutloos Monotype-zetsel in loden machineletters, zwaar, crèmekleurig papier, ingenaaid met kapitaalband en leeslint, in linnen band met stofomslag en – even afgezien van al deze bibliofiele scherpslijperij – ze blijven opengeslagen liggen waar de lezer wil.
Ze zijn voorzien van foto’s die gemaakt zijn volgens het procédé van de heliogravure, een oude en dure techniek die het diepste zwart, het meest helle wit en alle grijzen die daartussen liggen laat zien en die vertwijfeld doet afvragen waarom iemand ooit offset heeft uitgevonden.

Donkere kamer
Deze foto’s van crypten, kapitelen en gewelven – altijd van steen – geven licht, en een tweede betekenis van La Pierre-qui-Vire dringt zich op. Virer, ‘draaien’, het van kleur en intensiteit doen veranderen van een foto in de donkere kamer. Precies dit gebeurt er in de boeken van de Zodiaque met het stenen tijdperk van het romaans. Het komt zo te voorschijn uit ‘de nacht der tijden’.
De grote serie en de losse, meer specialistische delen vinden emplooi in bibliotheken en kunsthistorische instituten, maar een belangrijk deel komt toch terecht op achterbank of hoedenplank van de toerist die meer aandacht heeft dan alleen voor café-interieurs en die wil weten wie de figuren zijn boven de toegangsdeuren in Vézelay, of hoe hoog het schip is in Conques.
Natuurlijk laat de Zodiaque die toeristische highlights van het romaans zien, maar het doel was toch vooral om buiten de gebaande paden te treden.
‘Laten we eerlijk zijn,’ zegt Dom Angélico, ‘we waren niet de eersten met belangstelling voor het romaans, maar onze auteurs hebben toch overal in Frankrijk kerkjes ontdekt waarvan het bestaan tot dan toe onbekend was, en die minstens zo interessant zijn als de grote monumenten.’
Kubisme
Dat wat is uitgegroeid tot de belangrijkste serie op dit gebied, is nooit als zodanig opgezet. Dom Angélico was kunstschilder en kreeg samen met een andere monnik les van Albert Gleizes (1881-1953), kubistisch schilder en auteur van het eerste boek over het kubisme.
Dom Angélico zit kaarsrecht op zijn kruk, zijn handen maken precieze tekeningen in de lucht.
‘Op een zeker moment ontdekten wij dat het romaans voor ons gemaakt leek te zijn. Hoewel ik zelf uit de Champagne kom – echt een land van de gotiek – merkte ik dat het romaans in esthetisch en religieus opzicht veel dichter bij ons staat. We zijn begonnen met een klein tijdschrift waarin we die parallellen tussen moderne religieuze kunst en romaanse kunst hebben toegelicht. Het ging ons dus om dat moderne engagement.
“Het romaans is eeuwenlang als barbaars behandeld, terwijl die kunst voor ons een broeder is geworden die tegen ons spreekt
’In die moderne religieuze kunst is er al jaren een enorme decadentie. Het romaans is daarom zo interessant omdat het het publiek ontwent met een kwaadaardige en rampzalige beeldtaal. Het heeft zeker iets primitiefs. maar het is toch wonderbaarlijk en diep-religieus, terwijl er aan de andere kant humanistische kunst is die volstrekt voldoet aan de normen van de beschaving en de toch heidens en a-religieus is.
‘Het romaans is eeuwenlang onbegrepen geweest en als barbaars en lelijk behandeld, terwijl die kunst voor ons langzamerhand een broeder is geworden die tegen ons spreekt. Het is van een waanzinnige rijkdom. Hoe meer ik die kerken bezoek, hoe meer ik die spiritualiteit voel. Wij zouden dus graag willen dat het romaans in die twee opzichten — esthetisch en religieus — erkend
wordt.
Esperanto
Het romaans met zijn halfronde bogen en zware muren mag de eerste kunst op Europese schaal genoemd worden, misschien nog niet eens zozeer door en eenheid en bouwstijl, als wel omdat die plotselinge boom in de kerkbouw een in religieus opzicht verenigd Europa betekende, waar kruistochten en massale bedevaarten konden ontstaan en waar een relatief grote bevolkingsgroep een eigentijds Esperanto sprak: Latijn.
Het romaans liet zijn kerkgangers geen zoete bidprentjes zien, maar griffioenen en draken. Christus is er nog niet de lijdende mens die de gotiek van hem heeft gemaakt, maar de onwrikbare scherprechter van de Laatste Dag. Wie valt, komt in de muil van een hellemonster terecht. Wie stijgt, krijgt geen vleugeltjes, maar mag bloot tegen een boom leunen in het paradijs.
Christus is, in ieder geval op de meeste timpanen, een god, koning van de schepping. Vooral in kleinere sculpturen bestaat ook de duivel van de Katharen nog: het kwaad niet als complement van het goede. maar als een zelfstandige boze macht. Het christendom is er ondanks zijn gevorderde leeftijd nog vers. Pas later heeft alles menselijke proporties gekregen, is het begrijpelijk gemaakt.

Schietlood
Bij de bezoekers van vandaag overheerst bewondering voor een bouwkundige prestatie uit de tijd van schietlood, beitel en vooral mankracht. Maar wat wij ons niet realiseren, is dat de architect iets tot zijn beschikking had dat wij nu zo goed als zijn kwijtgeraakt: het idee dat die kerk moest verbeelden, Gods plan.
Voor ons valt het gebouw uiteen in korbelen, archivolten en kapitelen, in een schip, transepten en een absis. Als de middeleeuwers hun gebouw al zo in woorden konden ontleden, dan nog konden ze die onderdelen niet los zien van hun functie in het geheel; alles in de kerk. van crypte tot klokketoren, verbeeldt iets. Een episode uit de bijbel, de vier elementen, het leven, de dood en de opstanding. Een kerk is een stenen encyclopedie van het christendom, een kerk is het christendom.
Een kerkgebouw is niet alleen buitengewoon geschikt voor een kerkdienst, de kerk is die kerkdienst zelf. Inhoud en vorm van het geloot vallen erin samen.
Dat eerste aspect, dat van de inhoud, kunnen wij nog goed begrijpen. Wij zien in een oogopslag dat dit een gewijde ruimte is. Maar dat tweede zijn wij niet meer gewoon, omdat wij nu eenmaal geen middeleeuwers zijn. Een aanwijzing daarvoor is onze neiging om romaanse sculpturen naïef te noemen. Het is misschien onwaar, maar er hoort niets meewarigs im mee te klinken. Blijkbaar was ons idee van realisme en het daarop gebaseerde schoonheidsideaal van na de Renaissance ondergeschikt aan iets anders. Aan wat?
Kindertekening
In de kathedraal van Saulieu is een kapiteel van een man op een ezel. De verhoudingen van hoofd en lijf deugen niet, zou je zeggen. Het heeft iets van een kindertekening. Die man is de bijbelse figuur Bileam.

Drie maal staat zijn ezelin stil en drie keer slaat hij haar met zijn stok. Maar de derde keer spreekt ze en zegt dat ze halt hield voor de Engel Gods, die met een zwaard in de weg stond. Bileams ogen worden geopend, en hij belooft beterschap.
Om dat verhaal te vertellen hebben wij tijd nodig. Wij nemen een realistische figuur die we, bij wijze van spreken als in een stripverhaal, steeds in opeenvolgende situaties beschrijven. Voor de middeleeuwer zat dat hele verhaal in dat ene kapiteel. Het beeldhouwwerk heeft de hele tijd van de vertelling in zich verzameld, opgezogen. Bileam heeft er een groot hoofd van gekregen, met veel te grote ogen, die èn woede èn schrik èn inkeer moeten uitdrukken.
Bileam op zijn ezel is onwerkelijk voor ons, maar als wij consequent zouden zijn, zouden wij geen verschil moeten maken tussen de onwerkelijkheid van Bileam en die van de fabeldieren waar hij tussen staat. Dat deed de middeleeuwer ook niet, maar blijkbaar is het na het romaans een probleem geworden.
Ingenieurskunst
Dom Angélico: ‘De gotiek is misschien het prototype van christelijke kunst: het is de kunst van de incarnatie, maar die gedachte is ook heel gevaarlijk, want het draagt het risico in zich dat het menselijk – en dus niet-goddelijk — gevonden wordt.
De gotiek is een ingenieurskunst, het is intellectueel. Men wil de toeschouwer doen vergeten dat er muren zijn. Gotische muren zijn meer een soort stellage om hoge ramen mogelijk te maken, wat overigens magnifiek is, maar een romaanse kerk doet het omgekeerde. Het is een huis. De muren dragen het dak en laten je niet uit het gebouw ontsnappen. Ze keren zich naar binnen. Men wordt omgeven door een ruimte. Precies dat is ook het gebed: een geslaagde concentratie. God is niet buiten, il est là.’
Zijn bril blinkt en geen ja of nee van wie dan ook zou verandering in zijn glimlach kunnen brengen.
Goed, maar als de ene kunst religieuzer is dan de andere, is die dan ook mooier?
‘Neem bijvoorbeeld de Griekse kunst. Die is soms wonderbaarlijk mooi: een prachtige vrouw, een schitterende vogel, enzovoorts, maar het blijft fysieke schoonheid. Soms zie je een kerel met een lelijk gezicht, waarvan een imponerende schoonheid af straalt die zich met op het fysieke vlak laat definiëren. Zo ìs het ook met het romaans. Dat is nederig.
“Het mooie is: wij kennen geen romaanse genieën. We kennen de kunstwerken, maar niet de personen die ze maakten
‘Je kunt de Eva uit de kathedraal van Autun niet vergelijken met de Venus van Milo en toch word ik er meer door geraakt, zelfs door de vrouwelijkheid ervan. Die Eva is geen letterlijke vertaling, zoals een foto, maar is herdacht; die slang, de verlokking die kronkelt en draait, dat is buitengewoon.
‘Zo is het ook met het christendom zelf. Je kunt Christus aan het kruis met vergelijken met Zeus of weet ik wie. Het is allemaal veel deemoediger. Maar zodra in moderne kunst daarop de nadruk wordt gelegd, verliest het die kwaliteit.
‘Het mooie is: wij kennen geen romaanse genieën. We kennen de kunstwerken, maar niet de personen die ze maakten. Je krijgt nooit de indruk dat iemand over een ander oordeelde. Men nam deel aan de wereld zoals die was, zonder een meerderwaardigheidscomplex, maar ook zonder zich minder te voelen dan een ander. En dat is zeldzaam, tegenwoordig, zeer zeldzaam.’
Ongelovige
Ik leg Dom Angélico een uitspraak voor van de beroemde kunsthistoricus Rene Croizet: ‘Met zo’n vluchtige en weerspannige materie loopt de geschiedenis van de romaanse kunst het risico af te glijden naar een systematisch scepticisme.’
‘Ah,’ zegt hij en bespiedt mij. ‘Vous comprenez… Croizet was een ongelovige. Hij mag dan zijn leven besteed hebben aan het bestuderen van het romaans, het ging hem uitsluitend om het dateren van kunstwerken. Stel dat we op dit moment een uit de dood herrezen architect of beeldhouwer uit de twaalfde eeuw Croizet konden laten lezen, dan zou hij zeker zeggen: “Het is volstrekt onbelangrijk te weten of het in 1110. 1113 of in 1125 is gemaakt. Het enige dat voor mij telt is: heb ik iets moois gemaakt, leidt het naar God en past het in het geheel van de kerk?” Dat is belangrijk voor een architect. En er zijn altijd kunstenaars die hun tijd vooruit of achterop zijn.
‘Raymond Oursel, die de tekst van veel Franse delen schrijft, is daarom voor ons een ideale auteur. Hij tekent, speelt muziek, hij schrijft: hij heeft dat artistieke kader. Natuurlijk betrekt hij ook het landschap im de beschrijving van een kerk, want daar is de bouw van die kerk door geïnspireerd, een kerk profiteert van het landschap. Hij laat zijn teksten altijd lezen voor we de foto’s gaan maken die erbij zullen komen te staan in de uitgave, en het gekke is dat ik op dat moment al weet hoe die foto gaat worden.’
En dan begint de kerkklok te kleppen voor de sexten.

Citroën-bus
Een maand later bezoek ik de broeders Angélico en Norbert, zijn assistent, in de kerk van Orp-le-Grand, niet ver van Leuven, waar zij foto’s nemen voor her Zodiaque-deel over België. Buiten de kerk staat een golfplaten Citroën-bus met Frans nummerbord (89), volgeladen met zware statieven en leren tassen. Moet de benedictijn nu op één plaats blijven, of is Dom Angélico toch een rolling stone?
‘O, nee, nee, het is geen alibi om te ontsnappen aan de stabilitas loci. We houden alles zo minimaal mogelijk. Als je zo oud bent als ik worden die foto-tochten ook steeds vermoeiender, ook al omdat we alles heel vlug moeten doen om van het licht gebruik te kunnen maken en buiten het seizoen moeten werken. In Toledo hebben we een aantal manuscripten gelezen, maar tijd om het Alcazar te zien hadden we niet. Nee, als je monnik bent moet je dáár zijn.
In principe genieten natuurlijk licht, een laaggevoelige film en een lange belichtingstijd de voorkeur, maar in de donkere crypte van Orp wordt een filmzon gebruikt. Opeens springt de gloeidraad. Dat denkt Norbert tenminste. Een nieuw buisje brengt geen soelaas. Net zomin als een geheel nieuwe lamp. ‘Dit is werk van de duivel,’ zegt hij grinnikend na een half uur prutsen.
Platencamera
Ik had zelf al veel eerder alle duivels uit de hel gevloekt. En nee, het blijkt toch het snoer te zijn. Broeder Norbert haalt een nieuw snoer uit de bus en controleert de werking ervan door het eerst over de volle vijfentwintig meter af te rollen en met de lamp een paar maal heen en weer te sjouwen van crypte naar stopcontact. Ach, bedenk ik, pas hierboven hebben deze monniken een afspraak.
Dom Angélico zat die middag welgeteld zes foto’s maken met zijn prehistorische Linhof platencamera. ‘Het is eigenlijk alleen een kwestie van de goede hoek zien en de belichtingstijd uitrekenen; de techniek doet de rest.
Toch is hij voortdurend een en al oog. Een analytisch oog is het en geen bewonderend oog.
“Als ik later die foto’s bekijk, komt dat moment weer terug en zie ik ook datgene wat niet op de foto staat
‘Jawel,’ zegt hij, ‘maar toen ik hier voor het eerst binnenkwam was het voor mij een sensatie. Wij bezoeken veertig Kerken in België en dit is pas de derde werkelijk mooie, maar ik kan daar niet te lang bij stilstaan. Als ik later die foto’s bekijk, komt dat moment weer terug en zie ik ook datgene wat niet op de foto staat, zoals de kleur van het licht.
‘De steen is superb en het mag hier dan nogal gerestaureerd zijn, dat is dan wel opmerkelijk goed gedaan, met name voor een land dat geen grote reputatie heeft op dit gebied. Alleen die oranje glas-in-loodramen bevallen me niet, net als die twee rare bogen in de zijbeuk. Ik heb het natuurlijk niet tegen de curé gezegd, maar het is niks. Het is niet eens gotisch. Het is modernerig.’
Ik vraag – toegegeven, flauw – of hij zijn beroep beschouwt als monnikenwerk, maar gelukkig is dat in het Frans een serieuze vraag.
‘Ah, tout à fait, tout à fait. Het romaans is natuurlijk doortrokken van monastieke spiritualiteit. Geestelijke stromingen werden voor een groot deel gedragen door monniken. En ook het maken van boeken ligt in die traditie. Maar vergeleken met het oude overschrijven is het tegenwoordig wel anders. Ik geloof in het boek. Het heeft iets heiligs, het is een instrument de culte en naar mijn idee zal het ook niet verdwijnen. Het boek is een schuilplaats.’
Aanvulling (2025): Dit is een licht bewerkte versie van het hoofdstuk ‘Een stenen tijdperk’ uit de bundel Landschap achter het oog (1988), dat eerst als reportage in de Volkskrant verscheen (‘Griffioenen en draken uit een stenen tijdperk’, 8 augustus 1987).

Pays-Bas Romans verscheen in 1994 verscheen als 81ste deel in de Zodiaque-reeks La Nuit des Temps, tegelijkertijd met de Nederlandse editie, Romaans Nederlands (Architectura & Natura). Beide delen werden op 29 april 1994 ten doop gehouden in de Pieterskerk in Utrecht.
Dom Angélico Surchamp, in 1924 geboren als José Surchamp, was directeur van de uitgeverij tot 2001 en overleed in 2018 op 93-jarige leeftijd.
In 2002 staakte de abdij Les Éditions Zodiaque en verkochtde rechten aan een andere uitgever, waar in 2004 een laatste titel verscheen. De archieven van de uitgevrij zijn overgedragen aan het Institut mémoires de l’édition contemporaine in Caen.
Tags: architectuur, Benedictijnen, boekdrukkunst, bouwkunst, klooster, Monniken, romaans, stabilitas loci, uitgeverij